Reactie op jurisprudentie: Geweigerde omgevingsvergunning woonwagen als bedrijfswoning onvoldoende gemotiveerd

Geweigerde omgevingsvergunning woonwagen als bedrijfswoning onvoldoende gemotiveerd

Inleiding

Marktkoopman is een zwaar beroep. Een zwaar beroep vraagt om rust én een eigen plekje. De marktkoopman in kwestie, trotse eigenaar van een woonwagen, heeft die rust en zijn plekje gevonden op een bedrijventerrein met zware bedrijvigheid. Om zijn woonwagen als bedrijfswoning te gebruiken heeft hij echter een omgevingsvergunning nodig van het college van de gemeente Leeuwarden. Die vindt het maar niks en weigert de aangevraagde vergunning te verlenen. Na een ongegrond bezwaar is de marktkoopman in beroep gegaan bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 27 februari 2026 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBNNE:2026:688).

Achtergrond

Eiser is marktkoopman en heeft een woonwagen op een bedrijventerrein dat hij gebruikt als bedrijfswoning. Op grond van het omgevingsplan is een bedrijfswoning ter plaatse echter niet toegestaan. Daarom heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft de aanvraag geweigerd, omdat:

  • het toestaan van een bedrijfswoning zou kunnen leiden tot beperkingen voor omliggende bedrijven,
  • niet zou worden voldaan aan de VNG-richtafstanden tussen woningen en zwaardere bedrijvigheid,
  • niet is aangetoond dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;
  • een bedrijfswoning niet is toegestaan vanwege de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’.

Op grond van het bovenstaande is volgens het college geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uitspraak

De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

In de eerste plaats stelt het college dat de bedrijfswoning te dicht bij zware bedrijven (categorie 4.2) ligt, maar neemt hierover verschillende standpunten in over de afstand tot die bedrijven. Zo heeft het college in het bestreden besluit en het verweerschrift beschreven dat de afstand 200 meter bedraagt, terwijl tijdens de zitting is aangegeven dat de afstand 280 meter is. De bezwaarschriftencommissie vindt juist dat de afstand ongeveer 300 meter is en daarmee aan de VNG‑richtafstand wordt voldaan. Bovendien heeft eiser onweersproken gesteld dat er andere bedrijfswoningen zijn die op kortere afstand liggen van de zware bedrijven.

Verder heeft eiser volgens het college niet aangetoond dat het noodzakelijk is dat hij bij zijn bedrijf woont. Eiser is marktkoopman met een koelopslag voor kazen en heeft aangegeven dat hij direct moet kunnen ingrijpen bij koelstoringen. Daarom vindt de rechtbank dat het college onvoldoende heeft uitgelegd waarom deze noodzaak niet zou bestaan én had het college zelf nader onderzoek moeten doen als het dit onvoldoende vond.

Ten aanzien van de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ stelt het college zich op het standpunt dat de bedrijfswoning niet is toegestaan, omdat het geen bestaand bouwwerk is in de zin van de planregels. Alhoewel de rechtbank het college hierin kan volgen, gaat het college ten onrechte voorbij aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Het college had de aanvraag dus ook moeten beoordelen als een verzoek om af te wijken en advies moeten vragen aan de leidingbeheerder. Dat is niet gebeurd.

Wat vind ik?

Deze uitspraak laat zien dat er weinig is veranderd aan de inhoudelijke beoordeling van een afwijking van het planologische regime. Zo stelt de rechtbank aan de hand van de memorie van toelichting bij de Omgevingswet vast dat bij het (nieuwe) criterium van een ‘evenwichtige toedeling’ beoogd is om aan te sluiten bij het (oude) criterium een ‘goede ruimtelijke ordening’. Welke (ruimtelijke) aspecten van belang zijn, is – zoals gebruikelijk in de rechtspraktijk – afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.  

In dit geval gaat het om een woonwagen op een bedrijventerrein dat in strijd met het omgevingsplan wordt gebruikt als bedrijfswoning. Beoordeeld moet worden wat de (ruimtelijke) gevolgen zijn van een bedrijfswoning op de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, of een bedrijfswoning noodzakelijk is en of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de bedrijfswoning. Dit laatste komt overigens niet aan de orde in deze uitspraak, maar is wel van belang voor het verlenen van een vergunning.

Op basis van de overwegingen van de rechtbank kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het college erg kort door de bocht is geweest bij de motivering van de weigering. De afstand tussen de (beoogde) bedrijfswoning en de zware bedrijven is onduidelijk. Overigens zijn VNG-richtafstanden slechts indicatief voor het bepalen van de ruimtelijke aanvaardbaarheid en is het geen norm (ECLI:NL:RVS:2023:4267). De noodzaak van een bedrijfswoning kan volgens het college bijvoorbeeld blijken in geval van calamiteiten waarbij acuut moet worden ingegrepen. Hierover heeft eiser verklaard dat hij onmiddellijk ter plaatse moet zijn om eventuele storingen in de koeling acuut te verhelpen, omdat sprake is van beperkte houdbaarheid van bepaalde producten. Daarmee lijkt de noodzaak op basis van de uitleg van het college te zijn aangetoond.  

Het vervolg

Aan een weigering kunnen zowel beleidsmatige als juridische redenen ten grondslag liggen. Een beleidsmatige motivering ontbreekt en de motivering van de (juridische) haalbaarheid schiet tekort. Dat wil niet zeggen dat een weigering niet alsnog voldoende kan worden gemotiveerd. Zo is het voorstelbaar dat het gebruik van een woonwagen als bedrijfswoning onvoldoende bescherming biedt tegen geluid van omliggende bedrijven, waardoor geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zal moeten blijken uit een akoestisch onderzoek. Daarnaast kunnen er goede beleidsmatige en stedenbouwkundige argumenten zijn waarom het toevoegen van een bedrijfswoning, in het bijzonder een woonwagen, op die locatie niet wenselijk is.

ECLI:NL:RBNNE:2026:688

Geschreven door Roy van der Steen, Jurist Omgevingsrecht